http://www.kavevzw.be/oorwormn.htm - 2015.09.26 Frans Janssens
: Determineersleutel voor de Dermaptera (Oorwormen) van België en West Europa


door Victor F. Naveau.

Lange Beeldekensstraat 272, BE - 2060 Antwerpen. Tel. 03 236 07 65. e-mail = victor.naveau@kavevzw.be

Summary

This article gives a key to identify most of the Dermaptera we can find in West Europe.



1a(0). Antenne met 16 tot 30 leedjes 2

1b(0). Antenne met 10 tot 15 leedjes 6

2a(1a). Dekschilden rudimentair of afwezig. Vleugels afwezig

Tweede tarslid enkelvoudig

Tangen van het mannetje asymmetrisch 3

2b(1a). Dekschilden goed gevormd en vleugels zichtbaar

Tweede tarslid met een verlenging tot over het derde lid

Tangen van het mannetje symmetrisch 5

3a(2a). Kop verbreed achter de ogen

Dekschilden afwezig

Dijen eenkleurig of soms donkerder aan de gewrichten

Anisolabis maritima (BONELLI, 1832)

3b(2a). Kop niet verbreed achter de ogen

Een kleine aanzet van de dekschilden kan aanwezig zijn

Dijen al of niet bruin geringd in het midden 4

4a(3b). Dekschilden rudimentair op de zijboorden van het mesonotum

Dijen eenkleurig of soms donkerder aan de geledingen Euborellia moesta (GENÉ, 1893)

4b(3b). Dekschilden afwezig

Dijen bruin geringd in het midden en aan de geledingen

Euborellia annulipes (LUCAS, 1847)

5a(2b). Eerste tarslid even lang of korter dan het derde tarslid

Dijen van het derde paar poten even lang als die van het eerste paar

Nala lividipes (DUFOUR, 1820)

5b(2b). Eerste tarslid langer dan het derde

Dijen van het derde paar poten langer dan die van het eerste paar

Labidura riparia (PALLAS, 1773)

6a(1b). Tweede tarslid enkelvoudig 7

6b(1b). Tweede tarslid verlengd

met een tweelobbig aanhangsel dat onder het derde tarslid doorloopt 8

7a(6a). Vleugel komt niet onder de dekschilden uit Marava arachidis (YERSIN, 1860)

7b(6a). Vleugel komt onder de dekschilden uit Labia minor (LINNAEUS, 1758)



8a(6b). Achterlijf breed en plomp

Tussenborst verbreed, meestal dwars en schuin 9

8b(6b). Achterlijf eerder smal en licht verbreed

Tussenborst vierkant of langer dan breed 15

9a(8a). Dekschilden goed ontwikkeld of afgekort

Ze raken elkaar in het midden over minstens 1 millimeter 10

9b(8a). Dekschilden weinig ontwikkeld

Ze bedekken een scutellum van verschillende grootte 13

10a(9a). Dekschilden goed ontwikkeld met een bleke vlek in het midden

Vleugels goed ontwikkeld Anechura bipunctata (FABRICIUS, 1781)

10b(9a). Dekschilden afgeknot en eenkleurig

Vleugels afwezig 11

11a(10b).Tangen van het mannetje lang en sterk gegolfd

met een paar basale tanden op de bovenboord

en een paar middentanden op de binnenboord

Pygidium verborgen of slechts weinig zichtbaar

Pseudochelidura sinuata (LAFRESNAYE, 1828)

11b(10b). Tangen van het mannetje kort en weinig gegolfd

met slechts een paar middentanden op de binnenboord

Pygidium goed zichtbaar bij het mannetje 12

12a(11b). De achterboord van het laatste achterlijfssegment van het mannetje

vertoont een dikke verticale rand die tot tussen de tanden kan uitsteken

tot een klein driehoekig plaatje

Pygidium niet of zeer slecht zichtbaar Pseudochelidura minor STEINMANN, 1979

12b(11b). De achterboord van het laatste achterlijfssegment van het mannetje

eenvoudig en recht met een weinig uitgesproken verdikte band

Pygidium goed zichtbaar bij het mannetje

en rechthoekig van vorm Pseudochelidura montuosa STEINMANN, 1981

13a(9b). Achterlijf stevig gebouwd met de grootste breedte achteraan

Tamelijk grote insecten 14

13b(9b). Achterlijf niet stevig gebouwd met de grootste breedte in het midden

Gemiddeld groot insect.(10 tot 12 mm) Chelidurella acanthopygia GENÉ, 1832

14a(13a). Tangen van het mannetje met lange takken,

driemaal de lengte van de voorborst,

lang en dun, licht gebogen Chelidura aptera (MEGERLÉ, 1825)

14b(13a). Tangen van het mannetje kort,

nauwelijks tweemaal de lengte van de voorborst,

breed en hoekig gebogen Chelidura pyrenaica (BONELLI, 1832)

15a(8b). Tangen van het mannetje met uiteenstaande takken aan de basis,

met een goed zichtbare middentand op de binnenrand van elke tak

Apterygida albipennis (MEGERLÉ, 1825)

15b(8b). Tangen van het mannetje met platte takken

en naast elkaar liggend aan de basis 16

16a(15b). De vleugels komen onder de dekschilden uit 17

16b(15b). De vleugels komen niet onder de dekschilden uit 18

17a(16a). Dekschilden eenkleurig

De tangen van het mannetje aan de basis sterk getand en min of meer lang

Forficula auricularia LINNAEUS, 1758

17b(16a). Een bleke middenvlek op elk dekschild

De tangen van het mannetje aan de basis weinig getand en zeer kort

Forficula smyrnensis SERVILLE, 1839

18a(16b). Heel het insect kaal en glad

Basis van de tangen van het mannetje gelijk aan een derde van de totale lengte

Deze basis eindigt niet op een tand of een verdikking Forficula decipiens GENÉ, 1832

18b(16b). Heel het insect zacht behaard

Basis van de tangen van het mannetje langer dan een derde van de totale lengte 19

19a(18b). Dekschilden hoekig afgeknot aan het buitenuiteinde

Basis van de tangen van het mannetje gelijk aan de helft van de totale lengte,

regelmatig getand en eindigend op een schuimige verdikking

. Forficula lesnei FINOT, 1887

19b(18b). Dekschilden schuin afgeknot aan het buitenuiteinde

Basis van de tangen van het mannetje langer dan de helft van de totale lengte,

onregelmatig getand en eindigend op een tand Forficula pubescens GENÉ, 1839



Literatuur



ALBOUY, V. & CAUSSANEL, C., 1990. - Dermaptéres ou Perce-Oreilles. Faune de France nr75.

FFSSN. FR - Paris. pp.245.

BRUES, C.T. & MELANDER, A.L., 1945 - Classification of Insects.

Harvard Univ. GB - Cambridge.

CHOPARD, L., 1922. - Orthoptères et Dermaptères. Faune de France nr3. Lechevalier.

FR - Paris. pp.212.

FINOT, A., 1883.- Les Orthoptères de la France. E.Deyrolle. FR - Paris.

FINOT, A., 1987. - Insectes Orthoptères. Thysanoures et Orthoptéres proprement dits.

Faune de France. Deyrolle. FR - Paris. pp.322.

KLOET, G.S. & HINCKS, W.D., 1964. - A Check List of British Insects. Part 1 : Small Orders

and Hemiptera. Vol.XI, Part I. : 21. Roy.Entom.Soc. GB - London. pp.119.

PERRIER, R., 1923. - Myriapodes et Insectes Inférieures. La Faune de la France Illustrés III.

Delagrave. FR - Paris. pp.153.